maandag 18 november 2019

Marrakesh Night Market




Jemaa El Fna
Zwervend vuil
Kaalbezopen
Zonder alcohol

Apen en cobra’s
In dozen
En camera’s
In slaap

Appelsienen
Uitgeperst
Leeg en moe
Van het drinken

Verloren volk
Hangend
Aan een kraam
Olijven lam

Haarden
Van roepen
En kloppen
Van drum

Wil je
Moet je
Je zal
Dansen

Voor ons
Naast ons
Met ons
Tegen ons

Voor geld
Toerist
Voor mij
Een Marokkaan

Herinner je
De dans
Vrouwen
Verloren

De nachten
Verliefd zijn
Op Jemaa
Op haar

Dans met haar
Nu
Voor altijd
Een moment

Marrakesh
Na 1001
Magisch
Middernacht










zondag 17 november 2019

Kilimanjaro, de tiende berg? - deel 2

Dag 5 : 30 september 2019

De schrik en de twijfel zijn er in geslagen.
Toen de gids ons tijdens de lunch duidelijk maakte dat de tocht de volgende morgen naar Barafu Camp ging over een hoogteverschil van 600 m, was het snel gerekend dat de “final climb” ons een sprong zou voorschotelen van bijna 1300 m : van 4600 naar 5895 m.
Het was waarschijnlijk voor Bart de druppel die de emmer deed overlopen.
Hij kondigde officieel aan de tocht te stoppen en het advies van zijn kinderen op te volgen : “papa wees voorzichtig en doe geen domme dingen.”

Bart was die morgen al bij de “Muur” in moeilijkheden geraakt.



Vanuit Barranco Camp waren we eerst een riviertje overgestoken om dan bijna loodrecht omhoog een rotsblokkenpadje te overwinnen waar je vaak meer met de handen dan met de voeten je moest zien op te hijsen.






Valerie kreeg aangename reminiscenties aan haar klimmuuravonturen op het thuisfront, Aline deed er alles aan om niet naar beneden te kijken, haar hoogtevrees indachtig.



Ik hield niet op om foto’s te trekken enerzijds van de rotsklimmers maar meer nog van het majestueuze dal dat we steeds dieper wegduwden onder de wolkjes die niet ophielden toneeltjes voor ons op te voeren.






Het zou de rest van de dag op- en af-jes worden en op een intermediair topje waar drie Schotten hun blote poep in de lucht staken, vertelde de gids mij een en ander over de prijsvorming van zo’n Kilimanjaro tocht.



 Als je 3000 dollar betaalt is er 700 voor de organisatie, in dit geval in de Verenigde Staten, 150 dollar per dag per deelnemer -dus 1200 voor de hele tocht- af te geven aan de staat zogezegd als toegangsgeld voor het Kilimanjaro park en de rest voor de rest.
Daarvan moesten dan worden betaald : het hotel twee keer, de gidsen, de dragers en het eten.
Een drager verdiende 8 dollar per dag, een gids ietsjes meer al zei hij niet hoeveel. Als we de “tipping instructies” als maatstaf mochten nemen, zou dat ongeveer drie keer zoveel geweest zijn.
Hij gaf aan dat de verloning van de crew de facto voor 50 % uit tips bestond en dat het anders niet zo aantrekkelijk was.
Toen ik hem vroeg waarom deze business in handen was gegeven van buitenlanders, legde hij – niet onlogisch – uit dat zij het scharnierpunt waren naar de klanten die meestal uit het westen kwamen.
De Chinezen en de Japanners hadden de Kilimanjaro duidelijk nog niet ontdekt. Misschien had het ook te maken met de perceptie van veiligheid en gestroomlijnde organisatie die Amerikanen en Europeanen eerder lieerden aan hun eigen bedrijven dan aan een onbekende Afrikaanse organisatie.
Wat er ook van zij, ik kon alleen maar onderschrijven dat het hele opzet erg professioneel in mekaar gestoken was.

Toen we weer eens een topje hadden bereikt leek het volgend tentenkamp zich op grijpafstand te bevinden maar we verslikten ons in een riviertje dat zich als een wig in het landschap had doorboord.




 

Na een pittoresk rotsige afdaling met bergcoloriet van bloemen en korstmossen, werden we voor de laatste keer naar boven gestuurd om na een tocht van een kleine 6 uur het Karanga Camp te bereiken. 



Bewonderenswaardig met hoeveel grimmigheid en inzet Bart dit laatste reusje van de dag bedwong maar toen al voelden we dat hij dit labeurwerk geen 8 uur zou kunnen volhouden tijdens de summit walk.



Intussen had ik weer het begin van allerlei ziektes doorgemaakt : het hoesten wees op een verkoudheid, een vleugje keelpijn op een beginnende keelontsteking, een rillerig gevoel net na mijn middagdutje in mijn slaapzak was het begin van koorts en een paar krampjes toen ik naar het toilet moest, zouden het begin zijn van een hevige diarree. De dag voordien had ik nog een spierverrekking gehad maar die bleek te wijten aan het elastiek van de beenbeschermers (gaiters).
De health check met voor iedereen een zuurstofsaturatie van minstens 90 wierp alle kwaaltjes in de prullenmand tenzij de nekpijn van Bart waardoor het neerliggen lastig werd.
Hij had gewacht tot we alle vier binnen in de eettent waren om aan te kondigen dat hij liefst zo snel mogelijk naar het hotel wou en ons morgen niet zou vergezellen naar Barafu of Base Camp zoals echte Alpinisten het laatste kamp voor de finale klim benoemden.
Dit hadden we niet verwacht.
Toen August, onze gids, even later vroeg om de beslissing uit te stellen tot na deze nacht, antwoordde hij ja maar dacht nee wat hij ons ook achteraf duidelijk maakte.



Hij zou de volgende dag met Elias, de hulpgids, terugkeren voor een walk van ongeveer 8 uur want er was op de berg geen slaapplaats meer voor hem voorzien. Als alles goed ging zou hij de volgende nacht al in het hotel slapen.
Het was een domper voor de groep maar vooral voor Bart die begrijpelijkerwijs zijn spirit verloren was.

Even later legde August ons nog uit dat er toch om het uur een rustpauze van een 10-tal minuutjes was voorzien wat ons weer wat hoop gaf dat de 6km hoge Uhuru Peak tembaar was.
“Je lichaam zal op een bepaald ogenblik niet meer mee willen”, zei de gids: “maar je verstand moet je lichaam overtuigen dat het wel mogelijk is”.
“Ben je zeker dat wij het überhaupt kunnen halen?” vroegen de meisjes.
“Ja, jullie zijn in staat om de top te bereiken als je niet in paniek geraakt.” 
Dit was hetgeen we moesten horen.
Los van de hoogtemeters, de ijlheid van de lucht, de kou en de nachtelijke entourage zou het dus blijkbaar vooral onze mentale weerbaarheid zijn die het verschil zou maken.

Ik vertelde mijn verhaal van de Marmotte nu meer dan 30 jaar geleden waarbij we met 5 vrienden op één dag de Col de la Croix-de-Fer, de Col du Galibier en de Alpe d’Huez beklommen.



Hoe ik de Croix-de-Fer fluitend opreed met minuten voorsprong, op de Galibier een verschrikkelijke inzinking kreeg van de hongerklop en toen iedereen dacht dat ik half dood was, het commando nam op Alpe d’Huez om toch nog een glansprestatie neer te zetten op de laatste col.
“God, laat me niet meer afzien zoals toen op de Galibier”.

Die avond schilderde de zon in geel-oranje tinten het decor waarin welig kronkelende wolken de lof bezongen van de grote berg.





Tot, sneller dan we verwachtten en met veel meer sterren dan we gewend waren, een liggende sikkelmaan de nacht in gang zette.
Toen pas zagen we, heel diep beneden de lichtgevende stad Moshi.



Het was precies een week geleden dat ik vanuit mijn kamer daar een eerste maal de grote berg had dag gezegd.

Zo werd het morgen en avond de vijfde dag.


Dag 6 : 1 oktober 2019

We zijn beland bij het “Hof van Olijven” moment.
Zonet na de lunch had August ons instructies gegeven voor de summit walk : twee lagen extra kleding, dus 6 als je gewoon bent om 4 lagen te dragen, 3 lagen broeken (lange onderbroek, gewone broek en regenbroek), 2 paar kousen in de bottines, muts, lichte en zware handschoenen, sjaaltje en enigszins verrassend zonnehoed en zonnecrème voor het naar beneden komen in de voormiddag.
Het was op dat moment hevig aan het sneeuwen buiten en in onze geest spookten apocalyptische taferelen over het verloren geraken in een sneeuwstorm, het bevriezen  van onze extremiteiten.



Het parcours naar de top was 5,5 km met een hoogteverschil van 1300 m met vooral tijdens de eerste drie kwartier een felle stijgingsgraad, dan een min of meer egaal stijgend wandelpad en het laatste anderhalf uur opnieuw steil omhoog.
We moesten onze camelbak meenemen die we konden gebruiken totdat de leiding bevroor en dan moesten we omschakelen naar een fles water die we omgekeerd in onze rugzak moesten steken in een kous omdat die altijd aan de bovenkant begon te bevriezen.
Verder dienden we voor onszelf voldoende snacks te voorzien -hoewel ze er ook zelf een paar zouden meenemen- en liefst binnen handbereik.
iPhone of fototoestel moesten bewaard worden ergens in een binnenzak omdat anders de batterij zou bevriezen.
Tot voor zijn “bemoedigende toespraak” had ik mijn zelfvertrouwen behoorlijk wat omhoog gepompt, te beginnen met de positieve saturatiewaarde ’s morgens (91 %), het eerder spelenderwijs overwinnen van 600 m hoogteverschil die morgen over een periode van 4 uur, ware het niet dat lichte hoofdpijn en duizeligheid mij een glimp hadden gegeven van de hoogteziekte-symptomen die ik boven de 4600 m nog heviger zou voelen.
August had ons helemaal plat geslagen toen hij ons aanraadde pijnstillers te nemen voor de klim om de onvermijdelijke hoofdpijn wat te kunnen verzachten.



Intussen was Bart die morgen met een traan vertrokken : 8 uur naar beneden wandelen en 2 uur auto richting Moshi.
We waren een beetje teleurgesteld geweest dat ons niet had willen vergezellen naar Base Camp maar achteraf gezien was zijn beslissing juister gebleken dan onze opinie toen we vaststelden dat nu ook Aline tijdens deze 4 uur lange klim over haar limieten scheen te gaan.
Bovendien zou het ook geen leuk gevoel geweest zijn om in Base Camp alleen achter te blijven en intussen te wachten hoe je tochtgenoten fier en enthousiast de berg afrolden, recht je tent binnen.

Aline had tijdens de tocht ’s morgens progressief meer geklaagd over hoofdpijn, duizeligheid en tijdens de laatste steile klim bleek ook het tempo voor haar een probleem terwijl Valerie en ik toegaven dat we nog overschot hadden.
Net als bij Bart voelde je bij haar dat het elastiek overrokken was.
Ook al was een soort van paniek misschien mede een determinerende factor geweest, haar statement dat ze fysiek wat tekort kwam om zo’n onderneming aan te kunnen, was niet onrealistisch.
Voor haar was de toespraak van Gust (Havelaar) tot de "Drie overblijvende Hoofden van België” de decisive point geweest : ze zou niet meegaan naar de top en in Base Camp blijven.

De oversteek zelf van Karanga Camp naar Barufa Camp had meer geleken op een troosteloze kapellekensweg dan een onderdompeling in betoverende landschappen. Er waren nog nauwelijks planten en tot overmaat van ramp was het beginnen te regenen. 






En toen iedereen zijn regenjas had aangetrokken, had de zon weer de natgordijnen opzij geduwd.



De calvarietocht was na 4 uur stappen in het beroemde “Base Camp” aangekomen waar een hevig onweer ons herinnerde aan de ernst van de zaak.




Aline vertelde nog een verhaal van een blog van iemand die bijna in een sneeuwstorm omgekomen was en onze Hof van Olijven was compleet.
August, de messias en kwelduivel, was intussen verdwenen en we besloten dan maar als vermoeide apostelen een paar uur te slapen, niet beseffend dat de Kilimanjaro ons al volledig in zijn macht had opgenomen.

Zo werd het morgen en avond de zesde dag.


Nacht 1-2 oktober 2019

De Kilimanjaro heeft zijn tanden laten zien.



En wij de onze ook.



Ook al hadden we ze bijna gebroken op dit onverwoestbaar stuk natuur.

Waanzinnig was het schema om dinsdagvoormiddag over 4 uur een hoogteverschil te overwinnen van 600 m, dan het inlassen van een slaapsessie na lunch tot aan de aanvang van de nachtelijke summit walk die om half twaalf zou beginnen (onderbroken door een verplichte eetsessie om 17 uur), dan de tocht naar de top zelf over 7 à 8 uur, dan 3 à 4 uur terugkeren in de morgen, eventjes anderhalf uur slapen, lunch en tenslotte nog eens 4 uur afdalen tot een kamp op 3068 m.
Later begrepen we dat dit bijna sadistisch ritueel ook was ingegeven door het gevecht tegen de hoogteziekte waarbij je de tijd tussen de klim tot 5900 en de terugkeer zo kort mogelijk moest houden.
Maar in de roes van de mastering van de top zou alles wat er achter volgde ofwel een makkie, een noodzakelijk kwaad, in elk geval een peulschil zijn tegenover hetgeen waarvoor we eigenlijk gekomen waren.

Om iets na halftwaalf stonden Valerie en ik in het pikdonker klaar met onze zes lagen bovenkleding en drie lagen broeken, muts, handschoenen en rugzak met food en drank en, jawel, zonnebril en zonnecrème moest het op de terugtocht ’s anderendaags ’s morgens zonnig zijn.



Elias, de hulpgids, was met Bart vertrokken en zo werden we begeleid door August en Innocence, één van de dragers.
Tijdens de geïmproviseerde siësta’s in onze tent had de wind ons  in de namiddag hevig en uitvoerig toegeblaft dat hij ons zou vergezellen op de tocht.
Er was al een pak sneeuw gevallen en onderweg zouden vlokken-plensjes ons nog af en toe komen treiteren.



De grond was gevaarlijk glad geworden en stappen in de sneeuw was niet alleen lastiger omdat je de ondergrond niet ziet maar ook behoorlijk inefficiënt omdat je bij elke pas tot 10 cm kan terugglijden.
Het enige voordeel aan dit rotweer was dat de nachttemperatuur daardoor wat hoger was.
De tocht begon met een vrij technische rotsklauterpartij die nog bemoeilijkt werd door de natte sneeuw en waarbij je verplicht was je 100 % te focussen op de bewegingen van de gids vermits je in het donkerte geen overzicht had.
Zo zou het de hele tocht zijn : trossen lichtjes boven en onder je waardoor je een idee kreeg wat je al had afgelegd of wat je nog te wachten stond.
Het gaf me reminiscenties aan droppings bij de scouts met dien verstande dat de weg niet moest gezocht worden maar klakkeloos moest worden nage-aapt wat de gids deed naast het feit dat je in deze epische weersomstandigheden geplakt zat tegen een berg die zich in volkomen duisternis had gehuld.

Nadien kwamen er een hele tijd goed gebalanceerde zigzag paadjes, soms verscholen of moeilijk begaanbaar door de sneeuw.
Gelukkig bood onze lagenkledij voldoende bescherming tegen de koude wind die ons af en toe een stootje probeerde te geven om ons uit evenwicht te brengen.
Het tempo dat de gids aangaf, was steviger dan bij de andere tochten vermoedelijk omdat hij overtuigd was dat Valerie en ik dat wel aankonden en toen we hem daarop interpelleerden, gaf hij aan dat er naar het einde toe nog altijd mogelijkheid was om te vertragen.

Ik slaagde er in om in de eerste uren met mijn gecontroleerde jogging-ademhaling voldoende zuurstof op te halen voor mijn spieren opdat zij het tempo zouden kunnen volgen.
Zeer regelmatig keek ik op de klok en elk gepasseerd uur was een kleine overwinning.
Op momenten dat het moeilijk werd, kwam er dan toch altijd een kort “breakje” met een paar keer lekkere gemberthee en een koekje dat we hadden meegekregen om weer op krachten te komen.
Naar het einde toe zouden er nog een paar steile stukken komen, had de gids op voorhand gezegd, met name om de flank van de berg te overwinnen die uiteindelijk zou leiden tot de richel helemaal bovenaan waarop de top zich bevond.
Hier kreeg ik het moeilijk.
Ik had de neiging om de groeiende hoofdpijn toe te schrijven aan slaapdeprivatie maar meer dan waarschijnlijk had het te maken met de opkomende hoogteziekte.
Ook al had ik die avond een goede zuurstofsaturatie gehad, toch zou een snel stijgen tot bijna 5900 meter mijn hele zuurstof-captatiesysteem uit balans brengen.
Door de ijle lucht, zo zei de gids, moest je zo rap mogelijk die berg weer af en ook zelfs dieper naar het dal om de hoogteziekte geen kans te geven ten volle te ontwikkelen maar hij stelde desondanks wel voor om een “pain killer” te nemen.
Toch aarzelde ik niet een paracetamol te mobiliseren toen ik net twee Tanzanianen een vrouw van de berg zag sleuren.

Langzamerhand kwam ik in een uitputtingsstaat terecht waarvan ik wist dat het geen hongerklop was.
Ik begon eerder kwartieren af te tellen dan uren en toen de gids zei dat bovenop de richel het zwaarste stuk was gepasseerd en dat het hoogstens driekwartier zou duren voor we die kam hadden bereikt, was dit de reddingsboei waaraan ik me vastklampte om nog even het bijten van de berg te trotseren.


Boven op de richel gaf Valerie aan dat haar ritme werd verstoord door het feit dat ik af en toe vertraagde en ze vroeg aan August om een eigen traject met hem te gaan. Vermoedelijk een verkrampte hersenkronkel door de ijle lucht… 😉


Het paradijslijk wit van de grote reus weefde snel onze verzoening.



Je kon moeilijk anders dan eufoor zijn om wat je samen had bereikt en we kregen er nog een gigantisch geschenk bij : waar we allebei door het klimmen in de quasi sneeuwstorm geen enkele illusie hadden gehad om iets anders dan wolken te zien op de top, werden we vergast op een schitterende zonsopgang, dansend op een wolkendek zoals je het alleen vanuit een vliegtuig kan bekijken.







Majestueus waren de gletsjerformaties die als kantelen rond de koninklijke berg hadden postgevat.




In de verte zagen we Mount Meru, Kilimanjaro’s kleine broer, naast een heel gabarit van pieken en hellingen en dalen die een steeds wisselende dans opvoerden met verspringende wolken.








Zo werd het ochtend de zevende dag.
En we zagen dat het goed was.



En we dachten dat het een rustdag zou worden…


Dag 7 : 2 oktober 2019

Wanneer je eenmaal de top hebt bereikt, lijkt alles wat lager ligt van geen tel meer. We wandelden letterlijk boven de wolken, zachtjes voortgedreven door de licht glooiende helling van de top naar de rand van de ridge.



We voelden geen vermoeidheid en hadden op geen enkel ogenblik het gevoel dat de lucht die we inademden, slechts 30 % zuurstof bevatte ten opzichte van het dal.
Ongeveer 20 minuten waanden we ons in het Walhalla waar de goden spelen met de wolken en het ijs en neerkijken op alles wat zich beneden afspeelt.

Eens we de bocht namen en van de ridge naar beneden duikelden, gleden we snel weg in een uitputtend inferno.
Op de meeste plaatsen was modder versmolten met sneeuw en samengekoekt tot een brei tussen en op de rotsbodem.
Elk van de gidsen nam één van onze sticks – de andere moesten we vasthouden in onze linker hand – en sleurde ons mee in een glijloopbeweging wat van ver had kunnen lijken op voetski maar aanvoelde als een aanslag op al onze spierkracht en adem die ons nog restte.
Ik geraakte totaal uitgeput en dwong mijn engel-duivel-bewaarder om te vertragen en zelfs te stoppen maar nooit voor lang omdat ik wist dat ik gedoemd was de hele summit walk in omgekeerde zin te ondergaan.
Nog erger werd het toen één van de Schotten die we onderweg waren tegengekomen me een “good luck” toewenste omdat hij dacht dat ik voortijdig naar beneden gevoerd werd wegens hoogteziekte.
Ik verloor ook terrein op Valerie die minder afgetakeld leek dan ikzelf maar een paar uur later kotsend langs de weg liep en zich die gedurende 15 uur in haar slaapzak zou opsluiten.
Aline stond ons supporting en fotoshooting op te wachten -il faut le faire– maar ik was te moe om eufoor te zijn.



Ik liet me neerploffen in de eerste beste stoel als een patattenzak waarop ik direct een saturatiewaarde van 82 % op mijn bord kreeg.



Ik begreep niet hoe het mogelijk was dat ik op dezelfde hoogte nu ineens van 91 naar 82 % gegaan was maar blijkbaar trad hoogteziekte op met een zekere vertraging en de cumulatie met een zware inspanning kon snel leiden tot een ernstige toestand waardoor de gidsen ons zo snel mogelijk naar omlaag wilden krijgen.
Na de 7 uur lange klim en de meer dan 3 en een half uur durende afdaling kreeg ik ongeveer anderhalf uur rust voor de “brunch” om ten laatste om 12 uur ’s middags te vertrekken voor een 4 uur lange afdaling naar het volgende kamp.
Tegen mijn verwachting in viel ik in slaap en tegen de wetten van de hoogteziekte in, had ik toch honger en kon ik min of meer mijn energiepeil op een aanvaardbaar niveau krijgen.
Ik stelde uitdrukkelijk dat ik de afdaling zou aangaan op mijn eigen tempo omdat ik voelde dat ik mijn limieten had bereikt.

De uiteindelijk meer dan 4 uur lange afdaling naar Mveka Camp bleek een nachtmerrie niet alleen voor mij maar ook voor Aline en Valerie wiens maag binnenste buiten keerde tussen rotsbocht 243 en 244.



Een ijzeren brancard, achtergelaten langs de weg, drukte elk idee om zich te laten afvoeren, de kop in.


We mochten rusten tot 7 uur en daarna probeerden we ons onmetelijk hoog verbruik van calorieën weer op te vijzelen om een uur later als een blok in slaap te vallen.
Het was het einde van de meest crazy inspanning die ik ooit in mijn leven had gepresteerd.

Tijdens het diner vroegen we August meer uitleg over de politiek-economische situatie in Tanzania.



Hij vertelde dat president Nyerere een charismatische figuur was geweest doch had gefaald in zijn economische politiek.
“Je kan op basis van solidariteit niets verdelen als er niets is”.
Latere presidenten voerden een meer liberaal beleid en tot op zekere hoogte met succes.
De voorlaatste president was een moslim en reisde de hele wereld rond maar bekommerde zich nauwelijks over wat er in Tanzania gebeurde.
Corruptie tierde welig: als er een taks werden geheven van 6000 dollar, kwamen de invoerder en de ontvanger overeen om 2000 te ristourneren naar de invoerder, 2000 voor de ontvanger en de resterende 2000 voor de staat.
Wanneer er iemand werd betrapt op corruptie kreeg, hij gewoon een andere baan.
Positief was wel de vrije meningsuiting – men kon zelfs spotten met de president in de sociale media – wat door de huidige president absoluut niet wordt getolereerd.
Maar er moest gezegd worden dat de nieuwe leider – die bijna 10 jaar aan de macht was – met strakke hand het land leidde met een nieuw elan.
Corruptie werd streng bestraft en ook toplui werden veroordeeld en kwamen in de gevangenis terecht.

Hij had de BTW verhoogd van 2,5% naar 18 % maar investeerde daadwerkelijk met deze verhoogde taksen in de ontwikkeling vooral van infrastructuur bv het heropenen van dode spoorlijnen. 
Het was duidelijk dat August geen simpele berggids was maar management en economie had gestudeerd.
Hij beweerde dat hij lucratieve voorstellen had gekregen voor topfuncties, zelfs ook in Zuid-Afrika, maar hij had zijn hart verloren met gidsen op de Kilimanjaro.
Het was ook duidelijk dat zijn leiderschap door de hele crew als evident werd geaccepteerd en gerespecteerd.


Dag 8 : 3 oktober 2019

Donderdagmorgen vóór de laatste dagtocht zongen de gidsen, de koks en de porters nog eens een Hakuna Matata en we verdeelden de taart die ze ons hadden geoffreerd voor onze prestatie, onder de crew.



Tijdens de finale 3 uur afdaling hebben we dan nog een laatste keer onze quadricepsen gemarteld.
Bij onze aankomst in de Stella Maris Lodge werden we verwelkomd door Bart die ons zijn horror story vertelde over 11 uur afdaling waarbij hij in het laatste stuk werd ondersteund door 2 porters en –omdat het al donker was– afgehaald op een punt waar alleen rescue cars mochten komen.

De afdaling van de Kilimanjaro was de meest spierslopende en boring experience die je je je kon voorstellen op het feit na dat je van de woeste schrale hoogten afdaalde via de rotsachtige formaties met heesters en cactussen tot het tropisch regenwoud waar de calabash monkeys ons met hun bomenspel amuseerden.
We hadden meteen aan Bart gedacht tijdens die afdaling en hij waarschijnlijk ook aan ons die dinsdagnacht net voor het slapengaan en bij het opstaan woensdagmorgen waartussen wij onze nachtelijke summit walk hadden volbracht.

Op een uur tijd waren we veranderd van een stinkdier in een normaal geschoren, gekamde en gewassen human being.
De evaluatie met de gidsen en de verantwoordelijken van Ultimate Kilimanjaro was formeel en weinig begeesterend en voor de tipping werd ons een minimum rekening gepresenteerd van 275 dollar per man, de facto losgekoppeld van onze appreciatie voor de crew die wel als zeer hoog kon worden bestempeld.
Schoonheidsfoutje was dat certificaten werden uitgereikt aan de “reachers van de top” en geen blijk van erkenning voor de prestaties van Bart en Aline die respectievelijk Karanga Camp (4000 m) en Base Camp (4600 m) hadden bereikt.



Waarom hadden ze niet begrepen dat de Kilimanjaro veel meer betekent dan ergens een plakkaat op 5895 m hoogte?
Ergens hebben ze gemist dat de berg zijn geheimen prijsgeeft onderweg, de steeds wisselende landschappen en de grillige stijgingsgraad, de begroeiing, de fauna en flora, de zon, de mist, de regen, de wind en de sneeuw, Hakuna Matata met de crew, het respect voor de dragers, wc-maker, de kok, en voor mij de nostalgie naar het scoutskamp van 50 jaar geleden en de tentvakanties met de kinderen.



Hoe zalig het kan zijn om te leven zonder elektriciteit, internet en ’s nachts in het donker te tasten naar je hoofdlamp om naar het toilet te gaan.
Hoe een slaapzak kan verworden tot baarmoeder waar je helemaal inkruipt als het buiten stormt of ’s morgens je tent rimpelt onder het ijs.
Hoeveel sterren je plots kan zien bij een heldere hemel zonder luchtvervuiling en hoe je betoverd raakt door het zacht pastel van de zon die de tenten kleurt vlak voor ze ondergaat.

“You are blinded by the goal, it’s all the journey that counts”, zei de blinde Tiresias tegen Odysseus die op weg was naar Ithaca en zijn geliefde Penelope.


Uit Paolo Cognetti - De acht bergen

Toen die dagen op hun eind liepen, hield ik het in de stad niet langer uit en besloot ik in mijn eentje de bergen in te trekken.
De lente is een schitterend seizoen in de Himalaya: op de valleihellingen overheerst het groen van de rijstvelden, wat hoger bloeien rododendronbossen.
Maar ik wilde niet naar plekken die ik al kende, en ook niet de weg naar vergetelheid inslaan.
Ik koos een gebied waar ik nog nooit was geweest, kocht een kaart en vertrok.
De vrijheid van zo’n ontdekkingstocht had ik al lang niet meer ervaren.
Soms dwaalde ik van het pad af, klom langs een helling omhoog naar een kam, louter om te zien wat erachter lag, stopte zonder dat gepland te hebben in een dorp dat ik mooi vond, sleet een hele middag bij de poelen van een bergbeek.
Dat was de manier waarop Bruno en ik altijd door de bergen hadden gelopen.
Ik bedacht dat dat in de jaren die voor me lagen mijn manier zou zijn om ons geheim te koesteren.
En toen moest ik aan het huis op de barma denken, met een gat in het dak waardoor het geen lang leven beschoren zou zijn, en voelde ik dat het geen doel meer diende en dat ik er als het ware al afstand van had genomen.
Lang nadat ik was opgehouden mijn vaders paden na te lopen, had ik van hem geleerd dat er in sommige levens bergen bestaan waar je niet naar terug kunt keren.
Dat je in levens als het mijne en het zijne niet terug kunt naar de berg die het middelpunt is van alle andere, en het begin van je eigen geschiedenis.
En dat mensen zoals wij, die op de eerste en hoogste berg een vriend hebben verloren, niets anders rest dan dwalen over de acht bergen.

De Acht Bergen : Mkubwa Camp, Shira 1 Camp, Moir Hut, Lava Tower, Barranco Camp, Karanga Camp, Barafu Camp, Mveka Camp : waren zij mijn gedwaal geweest rond de Holy Uhuru Peak?








Of waren zij net de essentie, de inspiratie en de poort tot het walhalla van de Top, zoals de Hel en het Vagevuur in de Divina Comedia, het pad hadden geëffend voor Dante in zijn tocht naar de Hemel?

Uit Paolo Cognetti - De acht bergen

Hij zei het zo : dat de zomer herinneringen net zo uitwist als ze sneeuw doet smelten, maar dat de gletsjer de sneeuw is van winters uit het verleden, een herinnering aan een winter die niet wil vergeten worden

Was mijn kortstondig vertoeven boven de wolkenmat een laatste herinnering aan Beatrice, gestold verdriet in wit begraven?



Of was dit het droombeeld van een nieuw begin : op weg naar Kilimanjaro, de Tiende Berg…



View from a room of Stella Maris Lodge



Dag 9 : 4 oktober 2019

View from a room of Stella Maris Lodge



Uit Karen Armstrong - De grote transformatie

Karl Jaspers meende : “De Spiltijd kan omschreven worden als een interregnum tussen twee tijdperken waarin een machtig imperium heerst, een pauze met vrijheid, een diepe ademhaling die het helderste inzicht oplevert.”


In tegenstelling tot de meeste andere blogs is dit verhaal geen fictie maar het werkelijk relaas van de tocht met belevenissen die op de dag zelf dag werden opgetekend en nauwelijks nog gewijzigd werden achteraf.

Met dank aan :
Ultimate Kilimanjaro en onze gids August die het voor ons organiseerden
Johan die het initiatief had genomen voor de grote beklimming
Mijn reisgenoten Bart, Aline en Valerie
Lut Brugmans voor het ontcijferen van mijn dictaten
Paolo Cognetti, auteur van “De acht bergen”
Karen Armstrong, auteur van “De grote transformatie”